“Toen heb ik meteen gebeld”

Threes Voskuilen spreekt met Kido van der Meulen

Het is begin maart en flink koud als Kido over de hei naar Havelte fietst. De opvallend zware ketting waarmee hij zijn fiets op slot zet stamt nog uit de tijd in Utrecht. Als hij zijn jas uit doet slaat frisheid en kou mij tegemoet, terwijl de teckels een hevig blafconcert geven. Dan is de rust weergekeerd, de koffie staat op tafel en het interview kan beginnen.

Wil je iets vertellen over belangrijke lijnen in je leven, gebeurtenissen, ervaringen?

Ik ben een Fries, geboren in Oosterwolde, vlakbij Drenthe. Als kind ben ik vaak verhuisd, eerst naar Wolvega, toen naar de Veluwe en later naar Roden in Drenthe, waar mijn moeder nog altijd woont. (dat is inmiddels niet meer het geval, ze woont nu in een zorghotel in Oldeboorn) Mijn vader was tien jaar ouder dan mijn moeder. Op zijn achttiende was hij als dienstplichtig militair in Indië gestationeerd geweest, tijdens de Indonische onafhankelijkheidsoorlog. Die Indische geschiedenis van mijn vader heeft veel invloed gehad op het gezin en op mij.

Ik heb nog een oudere zus en twee broers.

Mijn ouders zaten beiden in het onderwijs, mijn vader als kostwinner en mijn moeder viel af en toe in. Er waren veel boeken in huis en ik las, toen nog heel jong, alles wat ik te pakken kon krijgen. Mijn vader was heel muzikaal, hij speelde dwarsfluit, gitaar en mondharmonica. Toen ik zeven was kreeg ik van hem een mondharmonica waarop ik al gauw liedjes kon spelen. Ik herinner me nog dat ik twee stoelen tegen elkaar schoof onder de eettafel, daar ging ik op mijn buik op liggen. Zo liggend voelde ik me geborgen terwijl ik liedjes speelde. Dan fantaseerde ik dat ik organist in de kerk was en zag in mijn fantasie de mensen beneden in de kerk op de banken zitten. Op de zondagsschool was een man die heel gelovig was en indruk op mij maakte. Ik herinner me goed dat hij zei dat je tot God moest bidden om je wijsheid te geven. Dat heb ik in die tijd ook elke avond gedaan: God om wijsheid bidden.

In Leeuwarden ging ik naar de Muziek Pedagogische Academie, later omgedoopt tot conservatorium. Eind jaren ’80 werd deze instelling opgeheven, waarna ik doorging op het conservatorium in Groningen. Toen ik afstudeerde met als hoofdvak klassiek dwarsfluit was ik vijfentwintig. Ik gaf in de eerste jaren daarna dwarsfluitles aan verschillende muziekscholen. Daarnaast speelde ik als muzikant. Maar eigenlijk was ik veel meer geïnteresseerd in improvisatie en jazz. Daarom ben ik na drie jaar gestopt met lesgeven en naar Amsterdam gegaan. Maar daar ging het niet goed met me, ik voelde me erg alleen. Mijn redding werd een baan bij het scheepvaartmuseum, waar ik op een nagebouwd VOC-schip als acteur meedeed aan het uitbeelden van levende geschiedenis. Ik begon in Amsterdam aan het conservatorium ook aan een opleiding in Indiase improvisatie-technieken. Uiteindelijk verhuisde ik naar Utrecht, waar ik allerlei baantjes had, bijvoorbeeld als postbode en in de thuiszorg, maar ik deed ook, samen met een aantal biologen, een locatieproject over vleermuizen, waarvoor ik subsidie wist te krijgen. Dat werd een improvisatie met ruimte, licht en geluid.

Hoe kwam je met zen in aanraking?

Ik was wat je noemt spiritueel zoekende. Toen ik net op het conservatorium zat las ik veel in de bijbel, ik was op zoek naar iets, voelde een soort leegte. Naar de kerk gaan ging me inmiddels te ver, ook het Godsbeeld van een man ergens boven op een wolk was voorbij.  

Muziek heeft een spirituele kant. Bach vond ik geweldig, dat was misschien zelfs wel de reden dat ik klassieke muziek ben gaan studeren. Ik heb een jaar het vak Gregoriaans gevolgd en gregoriaans gezongen. Het mooie van een blaasinstrument is dat je heel direct met je lichaam verbonden bent, met zingen is die verbinding zelfs nog veel sterker. Je kunt het zien als meditatie in actie. Je bent helemaal een met wat je doet.

Ik begon met de zenbeoefening dankzij een artikel “Zen en de kunst van het muziek maken”. Dat las ik in een vaktijdschrift voor muziekdocenten, gewoon tijdens een koffiepauze in de lerarenkamer van de muziekschool. In 1996 was ik drie weken in Noord-Engeland, in de Throssel Hole Abbey, waar soto zen beoefend wordt. Dat heeft indruk op me gemaakt, al had ik veel moeite met de rituelen. Toen ik terug was verhuisde ik weer en raakte het mediteren een tijdje in de versukkeling. Tot ik op het Waterlooplein een boekje over mediteren vond. Daarin stond een zin die me pakte, mediteren is vakantie nemen van je leven. Dat vond ik een hele mooie.

Zen werd heel bepalend in je leven, wil je daarover vertellen?

In het Zentrum op de Oude Gracht in Utrecht pakte ik de zenmeditatie weer op. Ik vroeg me af: waar word ik nou echt gelukkig van, en ik realiseerde me dat wanneer ik vanuit mijn hart mensen kon helpen, dat dat me heel erg goed deed. En dat ik dus eigenlijk gewoon een bodhisattva ben. Een bodhisattva is dus niet een of ander bovenmenselijk creatuur. Kortom, ik had ervaren dat het helpen van anderen eigenlijk heel natuurlijk is, dat daar niets bovenmenselijks aan is. Na drie jaar mocht ik bij Willem Schepers de geloften nemen, dat was toen voor mij niet meer zo’n grote stap. Ik kreeg de naam Doin, wat ‘de weg van het geluid’ betekent. Daarna was ik nog weken een soort van ‘high’.

Het bijzondere is dat ik, voordat ik met zen in aanraking kwam, een ervaring had die ik nooit zal vergeten. Op het conservatorium in Leeuwarden bestond een vak dat musiceerkunde heette. Daar kwamen universele dingen aan de orde zoals: hoe bewust gebruik je dynamiek, hoe fraseer je, hoe articuleer je? Dat vak werd gegeven door een bijzonder gedreven docent, Johan de With. Hij had een fenomenaal muzikaal geheugen. Als je eenmaal een stuk had voorgespeeld kende hij het stuk en kon je precies vertellen wat waar gebeurde. Ik speelde daar een keer een atonaal en expressief stuk voor fluit solo, geschreven door een Japanse componist en geïnspireerd op technieken uit de shakuhachi-muziek.

De docent vroeg me of ik de laatste noot helemaal kon laten verdwijnen. En terwijl ik dat deed gebeurde het dat ik letterlijk verdween met het geluid, en met mij verdwenen ook de mensen die erbij waren. De docent zei later tegen me: het zal waarschijnlijk nog een paar jaar duren voordat je dit weer mag ervaren. Pas later hoorde ik dat de shakuhachi gerelateerd is aan zen. Eigenlijk had ik de beoefening toen al in de muziek ervaren, alleen wist ik dat toen nog niet.

De stap naar de Noorder Poort, hoe voltrok die zich?

Toen ik in Noord-Engeland in de Throssel Hole Abbey was, heeft dat veel indruk op me gemaakt en dat was bij me gebleven. Maar ik was nog veel te ambitieus met muziek bezig om voor het monnikschap te kunnen kiezen. Toch doortrok zen steeds meer mijn leven. Het werk als postbode was als een loopmeditatie, en door alles wat ik in de thuiszorg zag en meemaakte werd ik opener.

Mijn verlangen om me helemaal in de beoefening te storten werd steeds groter, net als het verlangen om deel uit te maken van een gemeenschap. Ik wilde me ook meer committeren om de beoefening levend te houden. Toen ik voor de eerste keer op de Noorder Poort kwam zag ik in Jiun roshi iemand die zen helemaal belichaamt. Zij heeft een krachtige aanwezigheid die mij heel erg aanspreekt. Toen al dacht ik: hier zou ik wel willen wonen.

Nadat ik een tweede sesshin had gedaan, hoorde ik via via en las ik in de nieuwsbrief dat er mensen werden gezocht om op de Noorder Poort te komen wonen. Toen heb ik direct gebeld. 

Wat is beoefening?

Het gaat over de weg, het gaan van de weg. Mijn naam Kido betekent de weg van het ontwaken. Daar gaat het over, over steeds weer wakker worden, wakker zijn. Vanuit een dualistisch oogpunt gezien vallen we natuurlijk steeds maar weer in slaap. Maar vanuit een absoluut oogpunt gezien zijn we altijd wakker. Dat is voor mij de richting, steeds opnieuw weer wakker worden en daaraan herinnerd worden. Dat kan door van alles gebeuren: het knellen van een schoen, een verdrietig gevoel, een geluid. We nemen voortdurend van alles waar, maar zo’n realisatie, waarin subject en object geen twee meer zijn, is vrij zeldzaam. Maar als het gebeurt, is er geen twijfel over mogelijk.

Maar probeer dat maar eens te beschrijven. Iets ervan kun je terugvinden in veel haiku’s.

Voel je je monnik?

Ja, ik voel me monnik, al heb ik een tijdje getwijfeld aan mijn roeping.

In de eerste jaren dat ik hier was merkte ik hoe goed het me deed. Maar ineens kwam dat oude getob weer terug. Het was heel lastig, die twijfel, want ik voelde me daardoor ook niet zo lekker in mijn rol als meditatieleider. Toch heeft de verwarring me goed gedaan, vooral het accepteren van de verwarring. Het wegvallen van de vanzelfsprekendheid om op de Noorder Poort te zijn en te blijven was misschien wel bijna een voorwaarde om weer door te kunnen gaan. Door zen kan ik met meer openheid en humor naar mezelf en anderen kijken. Het geeft ruimte waardoor dingen inzichtelijker worden, zoals bijvoorbeeld de fouten die je maakt. In de meditatiegroep die ik regelmatig leid, hield ik hierover een praatje, over hoe fouten in de communicatie ontstaan en hoe behoeften verpakt in een oordeel kunnen werken. Het is dan fijn te merken dat zo’n thema weerklank vindt bij de deelnemers.

Had je verwachtingen toen je op de Noorder Poort ging wonen ?

Ja, die had ik zeker. De eerste sesshins die ik deed heb ik met een enorme inzet gedaan. Ik verwachtte dat ik heel veel zou mediteren. Maar het is uiteindelijk ook heel veel werken en verantwoordelijkheden hebben en steeds meer deel zijn van de organisatie. Precies wat ik mijn hele leven zoveel mogelijk heb vermeden, verantwoordelijkheden op me nemen. Dat heb ik nu wel geleerd, hoewel ik het nog steeds lastig vind. Maar ik zie beter dat het onvermijdelijk is en ook goed is. Ik kan ook veel beter accepteren dat ik fouten mag maken en daarvoor gewoon verantwoordelijk kan zijn.

Wil je verder nog iets kwijt in dit interview?

Ik was leraar dwarsfluit en later leraar NT2: Nederlands als tweede taal.

Dat vond ik heel leuk en goed om te doen, en nu ben ik in opleiding voor zenleraar!  

Het leraar zijn is iets dat ik wel in mij heb en ook heb meegekregen van mijn ouders.