Een bijzondere bijdrage vanuit de sangha: Frank Smit (29) bracht anderhalve maand door in het klooster Sogenji in Okayama (Japan). Redacteur Sandra Weijman sprak met hem over zijn belevenissen. Frank beoefent sinds ongeveer vijf jaar zenmeditatie en zit sinds begin 2023 op de maandagavond bij de doorgaande groep in Utrecht. Hij studeerde geschiedenis en werkte op verschillende wetenschapsinstituten. Hij is zich nu aan het oriënteren op een mogelijke vervolgstap.

Zes weken in een Japans zenklooster
Sandra Weijman en Frank Smit
Hoe is jouw meditatiepad begonnen en hoe kwam je erbij om naar Sogenji in Japan te gaan?
Ik wilde om verschillende redenen beginnen met mediteren. Ik maakte wel eens gebruik van de app Headspace, maar ik wilde graag oefenen bij een leraar. Zo kwam ik per toeval bij een zencursus terecht. Na mijn eerste sesshin kreeg ik het gevoel dat meditatie voor mij van levensbelang was. Ik werd benieuwd naar Japanse zenkloosters. Ik dacht toen: dat moet nog steeds de meest authentieke vorm van zen zijn. Zo kwam ik terecht bij Zen Centrum Groningen en bij Tom van Dijk. Tom is in Sogenji geweest en ik heb met hem besproken of het iets voor mij zou zijn om daar ook heen te gaan. Hij raadde mij aan eerst wat meer te oefenen. Ik heb toen een paar sesshins in Duitsland met de Europese sangha van Sogenji gedaan en ben uiteindelijk in november en december 2024 in Sogenji geweest. Ik wilde drie maanden gaan, maar uiteindelijk ben ik maar anderhalve maand gebleven.
Kun je iets meer vertellen over het klooster?
Het klooster is erg traditioneel Rinzai. De meester, Shodo Harada roshi, is gespecialiseerd in het onderwijzen van westerlingen; hij heeft van zijn meester die opdracht gekregen. Roshi spreekt een heel klein beetje Engels. Om hem heen is een hele sangha die hem ondersteunt. De meerderheid bestaat uit leken en een minderheid is officieel monnik geworden. Daarnaast is er een handjevol lokale Japanners die mee-mediteren. Iedereen die daar mediteert, krijgt daar in de zendo een bordje met zijn of haar naam en een titel. Ik kreeg een bordje met twee karakters, mijn naam en (omdat ik een man ben) ‘goji,’ oftewel ‘gezinshoofd’. Als je monnik wordt, krijg je weer een andere titel.
Het hele gebeuren daar wordt door de gemeenschap gedragen. Er wordt gewerkt met een vaste structuur. Iedere avond wordt per bewoner zijn taak voor de volgende dag bekendgemaakt. Tijdens sesshins zijn er ook mensen die vaste taken krijgen, bijvoorbeeld in de keuken. Er hangt daarvoor dan een schema op het prikbord. Op de momenten dat je werkt, zit je niet mee, maar ga je bijvoorbeeld afwassen. Hoe langer je in het klooster bent, hoe meer taken je krijgt.
Bij het klooster is een heel groot park, met grote naaldbomen en esdoorns. Tijdens werkperiodes veegden we de paden en harkten we het park aan. Daarnaast moesten we onze leefruimte netjes houden. Als nieuweling moest ik tijdens de schoonmaak binnen altijd de wc’s doen.


Het klooster draait op geld van het Rinzai-instituut en allerlei donateurs. Het krijgt bijvoorbeeld eten dat niet meer verkocht kan worden van supermarkten. En volgens mij zijn er ook welgestelde donateurs uit de rest van Japan.
Het klooster is heel open voor publiek. Als je aan het werk bent, moet je ook om de paar minuten gedag zeggen tegen pensionarissen die langskomen, of tegen in kimono gehulde bruidsparen die met de herfstkleuren als achtergrond op de foto gaan. Alleen de meditatieruimtes en het gebouw zelf (het hoofdcomplex) zijn niet open voor publiek.
Voor de rohatsu kwamen er veel mensen die ook eten meenamen of inkochten. Bij de lunch kwam er dan een bak met iets extra’s langs, soms hele chocoladerepen! Ik sliep in de zendo op een futon die ik ‘s avonds uitrolde. Bewoners die er langer zijn, krijgen een eigen kamer, en vrouwen ook, in een apart gebouwtje. Het eten was altijd goed en als er veel eten gedoneerd wordt, is het eten extra lekker.

Wat is Shodo Harada roshi voor iemand?
Dat is een heel lastige vraag om te beantwoorden over een zenmeester. Hij heeft heel veel kanten. Wat kenmerkend voor hem is, is zijn krachtige aanwezigheid. Ik heb een keer in een artikel gelezen dat ze hem ‘the nuclear reactor of Zen’ noemen. Als de setting erom vraagt kan hij een enorme energie oproepen, dan zet hij zijn hele lichaam en levenskracht in, zoals bij de ochtendrecitatie en bij sanzen. Maar hij heeft ook een heel zachte kant. Die komt vanuit het niets lijkt het, dan was hij ineens bijna aan het fluisteren. Ook kan hij soms ineens heel boos worden. Dat gebeurde bijvoorbeeld als er bij de kok iets verkeerd ging, of als de ‘voorzanger’ tijdens de soetra-recitatie niet de goede cadans had.
Roshi laat die krachtige kant van hem vooral zien aan mensen die er al langer zijn. Als persoon kun je hem moeilijk vastpinnen. Hij zet alles in om mensen te onderwijzen en daagt ze daarbij ook uit.
Zelf vond ik het soms moeilijk om daarmee om te gaan. Ik vroeg me weleens af: ‘Ben je nou echt zo boos?’ Ik heb er weleens over gesproken met medebewoners, en die zeiden dan: ‘Het zou kunnen dat het leeg is,’ oftewel geen persoonlijke aanval, maar een strategie om iemands ego bloot te leggen. In de Japanse cultuur zou die ‘boze’ kant een andere lading hebben dan in het westen. Of dat echt zo is kan ik niet zeggen. Een goede manier om de atmosfeer te omschrijven is een safe unsafe space: een plek waar je veilig met onveilige situaties kunt oefenen. Het is wel een uitdaging om daarmee om te gaan. Als je dat niet kunt, wordt het al gauw erg zwaar.
En hoe was het in sanzen?
Sanzen is heel belangrijk in Sogenji. Omdat ik zo kort in Sogenji was, kan ik in het licht van de omvang van het traditionele Rinzai koan-curriculum dat daar wordt onderwezen niet meer dan een impressie geven. Qua aankleding behouden ze in ieder geval de typisch Japanse stijl. Dat wil zeggen: als het tijd is voor sanzen (de individuele ontmoeting met de leraar), wordt vier keer een belletje gerinkeld, en dan springt iedereen op vanaf het kussen, in de schoenen, en trekt een sprintje naar de hal waar we wachten tot Roshi met sanzen begint. “Wie het eerst komt, wie het eerst maalt”. Dat was altijd nogal wat, zeker met de bezoekers als toeschouwer. Nog net geen duwen en trekken. Dan is het wachten tot Roshi klaar is met werken (wat soms als een eeuwigheid voelde). Als je aan de beurt bent, sla je tweemaal op de bel, ga je zijn kamer binnen, doe je de rituele buigingen, en heb je sanzen. Dat is voor een nieuwkomer zoals ik kort en krachtig, in het Engels.
Bij mij ging het vooral over hoe hij mijn concentratie wilde zien, mijn hele lichaam als één ademhaling. Dat deed hij dan voor met al zijn energie: zijn aanwezigheid was belangrijker dan de woorden. Maar soms was zijn reactie heel anders; heel zachtjes, of hij vroeg opeens iets aan me, waar ik niet op gerekend had. Dan zat ik daar met mijn mond vol tanden. Ik wist nooit echt wat ik kon verwachten, en het doorzien van de behoefte daaraan leek me een belangrijk doel van sanzen. Daarnaast was er eens in de zoveel tijd het zogenaamde sōsan, ‘samen-heengaan’, waarbij we allemaal rustig in zitvolgorde gingen, en waar de roshi door middel van een vertaler wat uitgebreider met je kon praten.
Voelde je beoefening anders dan zen in Nederland?
Dat is een vraag met heel veel kanten. Ten eerste heb je voor meditatie in Nederland een keuze uit verschillende soorten, en kan het een soort hobby[1] zijn. In Japan is het een manier van leven: je wordt monnik, of je bent leek en dan steun je de monniken. De werelden van monniken en van leken zijn in dit klooster erg gescheiden. De ontmoetingen met de roshi zijn daar alleen weggelegd voor de monniken en de vaste of tijdelijke bewoners van het klooster. Een Japanse dame die ik daar leerde kennen, woonde in de buurt en wilde ook met meditatie-beoefening beginnen. Ze zat vaak mee, werkte mee, en deed mee met de sesshins. Maar ze mocht niet naar sanzen. Dat vond ik wel een beetje oneerlijk.

Zen is daar duidelijk een institutionele religie. Het heeft zwaarte, geschiedenis en is heel erg vervlochten met de cultuur. Er waren veel elementen die mij vreemd waren. Er was bijvoorbeeld een gebouw speciaal voor soetrarollen. Je hebt een gebouw dat kaisandō heet, met een standbeeld van de stichter van het klooster. Ik voelde echt dat ik onderdeel was van iets ouds en buitenlands, iets exotisch. Er zijn heel veel rituele handelingen, offers, bewegingen, en je weet altijd precies waarom je die doet. Zeker als je in het hoofdgebouw bent, samen met de roshi, ligt daar veel nadruk op: goede volgorde, op de juiste manier zitten, dat je kleding goed zit…
Wat maakte het meeste indruk op je?
Ook een vraag waar ik moeilijk een eenduidig antwoord op kan geven. Ik denk uiteindelijk toch het gemeenschapsleven, dat mensen de tempel met z’n allen weten te runnen. Dat vond ik inspirerend.
Toen ik er een week was, was er de kaisanki. Dat is de viering ter ere van de stichter. Er kwamen allemaal Japanse priesters die daar ooit hadden getraind, en er vond een hele uitgebreide ceremonie plaats (zie eventueel dit filmpje op YouTube). Roshi had een prachtig gewaad aan, bij wijze van spreken met goud bedekt, en de hele zendo was versierd met eeuwenoude soetrarollen. De tempel is echt een onderdeel van de Japanse cultuur. Om daar te zitten als iemand uit Groningen, daar onderdeel van te zijn, was heel bijzonder.
De mystieke sfeer van het klooster was voelbaar. Allemaal dingen die je in Nederland niet ziet: een enorme toren met een bel erin die in de ochtend en avond wordt geluid. Tijdens sesshin aan het einde van de dag, liepen we in de schemering door een oud bamboebos, en over een oude afgebrokkelde begraafplaats. Als ik naar de meester moest, in de avond, zat hij daar in nevelen gehuld. De aankleding is super Japans, het is onmogelijk om dat hier in Nederland te reproduceren. Er wordt veel eer bewezen aan de roshi, dat hij dat openstelt en de kans geeft aan mensen om daar te trainen als ze dat willen. En tegelijkertijd, er is ook iets in mij wat het met een korreltje zout neemt. Mijn opa was een Friese boer. En dan zit ik hier in een zentempel in Japan…


Welke dingen vond je moeilijk?
Tijdens sesshin had ik mijn knie zwaar geblesseerd. Ik kon niet naar de dokter zonder de sesshin af te breken, het internet lag eruit en ik kon er, behalve snel overleg met de jisharyo[2], met niemand goed over praten. Toen voelde ik me wel heel erg geïsoleerd. Dat was wel een van de moeilijkste momenten. Het op jezelf aangewezen zijn is ook onderdeel van de training in dat klooster. Alle houvast wordt je ontnomen, en dat is ook wat Roshi doet in sanzen. Als jij denkt dat je weet wat er gaat gebeuren, weet hij altijd het kleed onder je voeten weg te trekken.
Daarnaast was het erg koud, ik kreeg bevriezingsverschijnselen aan mijn hand. Dikke plekken die begonnen open te raken. Er was weinig mogelijkheid om op te warmen en dus om te helen. Ik wilde daar voorzichtig mee zijn en niet mijn vingers kwijtraken… dat is ook een van de redenen dat ik eerder ben weggegaan.

Zou je er weer heen willen?
Misschien… als mijn situatie het toelaat. Het voelt als een plek waar je jezelf echt voor langere tijd aan moet geven. Ik merkte dat het mij maanden zou gaan kosten om de diepte te bereiken die de roshi wil zien. Het is een heel traditioneel curriculum waar je stap voor stap en in veel tijd doorheen gaat: eerst je ademhaling tellen, dan ga je werken met ’mu’, dat is dan de ‘ingang, de poortloze poort waar je doorheen gaat, dan het koantraject waar je vervolgens stap voor stap doorheen gaat. Je moet je daar helemaal aan geven. Dat kon ik niet op dat moment, omdat te veel andere elementen in mijn psyche om aandacht vroegen. Ook wilde ik mijn vriend en mijn moeder niet zo lang alleen laten. Als ik weer ga, moet er eerst iets veranderen, dat ik daar de ruimte voor heb.
Wat heb je meegenomen of neem je mee van je tijd daar naar je leven hier?
In principe dat je eigenlijk alles kan. Het is zo opgezet dat er geen ontsnappen mogelijk is. Je krijgt een taak en dan ga je die taak gewoon doen. ‘Nee’ is geen optie. In Nederland zou ik bijvoorbeeld zeggen: ‘Ik kan dat helemaal niet’, of ‘ik moet eerst oefenen’. Daar werd ik in het diepe gegooid. Ik werd geconfronteerd met mezelf, er was geen uitweg, en daardoor kwam ik erachter dat ik het wél kon. Heel waardevol. Ik heb ook gezien hoeveel ik kan bereiken als mijn dag zo gestructureerd is. Weer terug in mijn ‘gewone’ leven vind ik het erg moeilijk om dat niveau van discipline in te bouwen.
Wat heeft de periode in Sogenji je op spiritueel vlak gebracht?
Weer een vraag met veel kanten. De training is heel persoonlijk. De kloostertijd was ook een vreemde tijd omdat die verbonden was met een spirituele ontwikkeling die al eerder was ingezet. Toen ik net met zen begon dacht ik: ‘Ik ga me hier in storten en hardcore mediteren. Zo intens mogelijk en op een zo hoog mogelijk niveau, om zo snel mogelijk een ontwikkeling door te maken. Zodat ik in het dagelijks leven niet meer tegen de dingen aanloop die me tegenhouden.’
Door de jaren heen en zeker gedurende het jaar voor ik naar Japan ging, kreeg ik wel door dat het zo niet werkt. De dingen die me dwars zitten, bepaalde angsten bijvoorbeeld die al heel lang bij me zijn, gaan niet zomaar verdwijnen. Toen ik in Japan was, liep ik ook tegen die gewaarwordingen aan. Ik zat heel veel in zazen en dat was goed. Ik leerde me diep concentreren en intiem en direct samen te zijn met dit moment. Af en toe zijn er momenten van echt inzicht. Maar als die momenten voorbij zijn, voel ik me nog steeds geblokkeerd in contacten met mensen om me heen. Dat bevestigde het inzicht dat ik het jaar ervoor had.
Een groot inzicht was dat ik directer met die emoties en weerstanden moet werken. Ik hoorde vaker de term schaduwwerk langskomen. Ik ben naar een spirituele/meditatie-coach in Amsterdam gegaan om daar meer over te leren, en we namen ter plekke een situatie om mee te oefenen. Ik haalde een vrij normale dag op het werk voor de geest, waarop ik me angstig/onzeker voelde, om die angst vervolgens zo direct mogelijk te voelen. De dagen erna kwamen veel oude pijn, rouw en schaamte los. Het feit dat het diep voelen van angst zo’n trigger voor mijn psyche was om niet-gevoelde zaken naar boven te halen, maakte wel duidelijk dat ik in het dagelijks leven nog niet echt wil accepteren dat al die ‘negatieve’ emoties er, ondanks mijn zen-oefening, wel zijn. Dus wat het ego uit alle macht wil voorkomen, van verdriet tot boosheid tot hopeloosheid: alles moet gevoeld worden. Overigens stelt de gelijkmoedigheid die ik in zazen ontwikkel, mij wel in staat überhaupt direct te voelen, zonder mentaal weg te rennen.

Is er nog iets wat je wilt vertellen?
… Ja, het ritueel bedelen was leuk. Dat gaat zo: je krijgt strosandalen en een pak uit drie delen om aan te trekken. Je krijgt een kaartje met het vers dat je moet opzeggen, en dan ga je schreeuwend de wijk in: ‘Hoooooaoooo!!’, diep vanuit je buik, is het advies. Het galmt door de hele wijk. Mensen komen dan naar buiten, dan ga je voor ze staan en chant je het tekstje op, terwijl zij aan het bidden zijn. Na afloop geven ze wat geld. Het was heel erg ritueel en heel vaag! Ik dacht: ‘In wat voor situatie ben ik nu weer beland?!’ Dat was wel echt leuk.
En hoe was het om weer terug te komen in Nederland?
Het was aanpassen. Het ‘in de wereld leven’ is eigenlijk nog moeilijker dan in een klooster leven. In het klooster leven was ik eigenlijk aan het oefenen voor het in de wereld leven. Ik had al heel snel het idee: als ik terug ben, gaat het moeilijk worden. Ik moet nu een baan zoeken en dergelijke. Maar dat is ook juist waar ik mee moet oefenen.
Wat ik wel mis, is het onder gelijkgestemden zijn. En het ontmoeten van veel erg verschillende mensen vond ik ook leuk. De andere bewoners kwam uit allerlei uithoeken van de wereld, met hele specifieke achtergronden, wat iedereen heel kenmerkend maakt. Het werken in de ‘gewone wereld’ is ook vaag en raar, dat is weer een heel ander soort vaagheid. Maar alles en iedereen is raar; als je niet raar bent, durf je jezelf niet te zijn.
[1] Noot van de redactie: zie ook het artikel Vijf soorten zen, dat een breder licht werpt op deze opmerking
[2] Verzorger; taken zijn vergelijkbaar met die van de shoji bij de zen-retraites op de Noorder Poort